.
.
Trance belevingen
T Geen splitsing toepassen tussen het alledaagse leven en mediteren
De A staat voor An, mijn begeleider, en de E voor mij. Puntjes betekenen dat de geluidsopname niet te verstaan is.
E. ...
A. ...
E. Het is mooi.
A. Wat zie je?
E. Ik zie een vergadering van Boeddha’s.
A. Probeer ook met de persoonlijkheid erbij te gaan zitten en vraag aan die Boeddha’s om steun.
Hoe voelt dat als je erbij zit?
E. Ik voel rust over mij komen. Ik voel me ook steeds sterker worden.
A. Laat dat echt tot je doordringen, tot zich dat helemaal settelt in je geest en in je lijf, in je 'mind.' Tot je er echt van overtuigd bent: ik word steeds sterker en ik kan daar iedere dag uit putten.
Hoe voelt het nu?
E. De vrede wordt steeds groter.
A. Duik erin. Laat het je helemaal omringen. Wees je daar bewust van.
Hoe voelt het nu?
E. Ik luister naar gezang.
A. Wat voor gezang?
E. (Ik doe het geluid na, een diepe mensenstemklank.)
Ik ga erheen kijken.
A. Waar ga je kijken?
E. Bij dat gezang. Ik probeer te zoeken waarom dat gezang zo ...
A. Zoveel ontroert?
E. Het ontroert me ...
A. Daar ga je nu naar kijken?
E. Ja.
A. Ben je bij het gezang gekomen?
E. Ik weet het niet goed.
Het is niet zo dat er iemand is die het gezang zingt.
A. Het is een kosmisch gezang.
E. Als het ware ... ...
(Over het gezang, dat het uit diepe stilte ontstaat en iets van heel diep weergeeft.)
A. Wat gebeurt er nu?
E. Ik zit nu weer in mezelf.
A. Hoe voelt het om in jezelf te zitten op deze bank?
E. Rustig.
Ik zie nu dat ik in mijn bewustzijn een splitsing toepas.
A. Leg me dat uit, die splitsing.
E. Dat ik als het ware een ander deel heb voor het alledaagse leven en dat is de splitsing ... ... (Mediteren en tot rust komen zie ik als één zaak, gaan werken en praten enzovoort in je alledaagse leven zie ik als een andere zaak. Voor die 'andere zaak' heb ik een 'ander deel,' in de trant van: “ík moet er nu wel goed bij blijven en dingen gaan doen en initiatief nemen en nadenken enzovoort. Stel je voor dat ik rustig blijf, dan gebeurt er niets.”)
A. Waar is dat andere deel voor nodig?
E. Ik denk dat dat nodig is voor het alledaagse leven. Maar het is niet nodig voor het alledaagse leven.
A. Waar is het dan wel voor nodig?
E. Het is helemaal niet nodig. Ik dénk dat het nodig is voor het alledaagse leven ...
A. En waarom heb je het niet nodig?
E. ...
A. Uit de rust en de stilte kun je in het alledaagse leven staan. Die kracht heb je?
E. Die kracht ligt klaar.
A. Die kracht ligt klaar om te gebruiken.
E. Ja.
Dat andere deel moet stoppen met zichzelf, ophouden.
Dus we gaan deze energie (van dat andere deel) benaderen en ermee praten om tot inzicht te komen. Dan ... ... (Deze energie die ik gebruik voor het alledaagse leven komt en sluit zich aan bij de grote energie.)
A. Wat wordt die energie nu geleerd?
E. Dat het niet in staat is om voor zichzelf te zorgen. Dat het beter bij ons voor zichzelf kan zorgen.
A. Wie is ons?
E. Bij mij.
A. Hoe voelt het nu?
E. Ik voel me loom en slap.
A. Vraag om energie, om healing-energie. Stel je daarvoor open zodat die energie gaat stromen.
Geef die energie als het ware een kleur en laat hem door je heen stromen.
Lukt dat?
Wat is de kleur?
E. Blauw. Donkerblauw.
A. Laat hem door je armen en benen gaan. Wees je heel bewust dat die energie in je lichaam zit en activeer hem.
E. Zo is het genoeg geweest.
A. Oké. Houd die energie goed vast en bij je want je hebt hem nodig.
17-3-2001
T De juiste manier van leven, inzicht dat je van alles afstand kunt nemen, huis van de moeder

Als ik deze tekening zie denk ik aan het woord springlevend, enorm, levenskracht, levensvreugde. In het rode, de rode rand van het hart, zie ik verdriet en pijn. Ik moet leren omgaan met die rode rand. Die rode rand zal er altijd zijn. Begrijp je?
Ik huil.
Je kunt niet mens zijn en die rode rand niet in je hart dragen. Die rode rand kan nog niet oplossen. Maar daar hoef je niet mee te vechten. Daar hoef je niet mee te strijden. Het zit daar nog allemaal. Natuurlijk is die er. Je moet je er niet blind op staren. Wij kunnen hem niet laten oplossen in licht. Het gaat erom hiermee te leren leven. Het gaat om de juiste manier van leven. Wat is de juiste manier van leven? Het licht schijnt overal. Het schijnt boven en onder. Het schijnt binnen en buiten. Ons vlees en bloed is de rand. Onze emoties zijn de rand. Wat is de juiste manier van leven?
Niemand kan je dat vertellen. Het gaat om jouw verhouding tot het licht. Er hoeft geen verwarring te zijn om de dingen die als het ware in jou zijn, die je voelt. Daarover hoeft geen verwarring te zijn. Uit die dingen, uit die verwarring, moet je je terugtrekken. Je gaat er nog teveel in zitten. Je denkt: “wat is dat allemaal? Daar moet ik iets mee.”
Het gaat altijd om de verhouding tot het licht. Het gaat altijd daarom waar de dingen makkelijk zijn. Als je een makkelijk inzicht hebt heb je een inzicht. Het gevoel van gemak moet komen en daarom moet je de problemen loslaten. De verhouding tot het licht is een gemakkelijke verhouding. Daar is altijd gemak. Je kunt je niet verhouden tot het licht en problemen hebben, een gevoel van problemen hebben. Dat kun je niet in het licht.
Het gaat steeds om het inzicht van afstand nemen. Het inzicht dat je van alles afstand kunt nemen. Dat wil niet zeggen dat je er niet middenin zit. Dat wil niet zeggen dat je er niet helemaal in zit. Maar je kunt altijd afstand nemen.
In zijn gevoelens is een mens altijd alleen. Daarbuiten is er nooit, is er nooit alleen zijn. Is er nooit die eenzaamheid. Zie om je heen iedereen in licht. Alle wezens die op het licht gericht zijn en die licht schijnen zie je dan. En dan weet je ook dat je daar leeft. Dáár leef je. Daarom heb je geen probleem. En daarom kun je afstand nemen. Daar is mijn huis. Daar woon ik. Daar hoor ik thuis. Daar ben ik altijd. Deze woning is het hart van de ziel. Daar wonen wij als kleine kinderen. Wij spelen en stoeien en vechten en ravotten. Het hart van de ziel is onze moeder, is onze grote moeder. Je voelt de liefde ervan en de onbekommerdheid van de kinderen. Zo is ook het leven. Je moet je er niet druk om maken dat als je stoeit of vecht dat je dan vuil wordt, dat je kleren vuil worden, dat je zelf vuil wordt. Daarover hoeft geen verwarring te bestaan. De verwarring komt als we denken niet meer in het huis van onze moeder te zijn. Maar wat is vuilheid in het huis van onze moeder? Dat is zo van ons afgewist en dan is het er niet meer. Daarom moeten we niet als mens leven. Steeds als je als mens hierover denkt neem je die menselijke dingen over, hoe het voor de mens is. Het gaat als het ware om een andere trilling in je hoofd, een andere golflengte in je hoofd. Als het ware: tot zover komen de wolken en daarboven schijnt altijd de zon. Daar komen geen wolken meer. Daar bestaan geen wolken meer. Daaronder zijn wolken en stormen, regen en wind en vreselijke temperaturen, heet en koud. Daarboven is dat niet, is altijd zon, is altijd heldere lucht. Het gevoel ontwikkel je zelf door je open te stellen. Door iedere keer weer een bad in het huis van de moeder te nemen. Dan zul je weten wie je bent: een ravottend kind, een stoeiend kind, een spelend kind, een vechtend kind. Het is gewoon een kind. Het menselijke blijft, zoals de temperatuur blijft, zoals het weer blijft, zoals het klimaat blijft, zoals de winter blijft en de zomer blijft. Maar de zon is heel iets anders.
Dit is voor mij een helder beeld. Ik verenig mij met het huis van de zon.
18-7-2000
T De natuur in je dragen

Dit is de wereld die je altijd bij je kunt dragen en waarin je altijd kunt leven, waarin je hart zich vrij voelt, waar altijd ruimte is, waar het altijd goed is. Hier kun je altijd leven. Als je dan ziet hoe je jezelf vast zet in de alledaagse dingen dan zie je het verschil. Hier kun je altijd leven.
2-4-2001
T Mens in rechte lijn, geheime kerncentrale

Ik moet één mooie, rechte lijn vormen. Daarin moet zich alles oplossen, al het andere. Deze rechte lijn is de verbinding tussen hemel en aarde. Zover ben ik nog niet. Er moet meer rust komen in me. Ik moet nog gelijkmatiger zijn. Mijn denken moet uitvlakken. Ik moet contact houden met deze kern, die altijd rustig en beminnelijk is, vriendelijk. Ik zie nog teveel naar links of naar rechts. Deze draad loopt van de aarde omhoog. Er is ook een andere draad, die loopt van hoog naar de aarde. Dat is de draad die mij verlicht, die mij hulp zal bieden. Ik ga langs beide lijnen. De aardedraad is de draad van in mijn kern blijven, rustig blijven onder alles. De hoge draad is de draad van het inzicht in de dingen. Ik heb beide draden nodig om het werk te kunnen doen. Het is een kwestie van voelen. Als ik de aardedraad voel hoef ik mij geen zorgen te maken om de draad van hoog. Als ik de aardedraad niet voel heb ik niets. Dus je kunt zien hoe belangrijk dit is. Ik verlies deze draad nog te vaak.
Als ik in deze aardedraad blijf, hoe zit het dan met mijn emoties? Ben ik dan altijd rustig?
De emoties zullen een natuurlijke stroom zijn. Ze zullen passen bij de situatie. Je zult altijd bereid zijn ze terug te trekken, voor het geval dat.
Er is nog een teveel in het denken op de eerste plaats. Ook in de emoties. Op de eerste plaats in het denken. Het denken is het grootste probleem. Want het denken maakt de “mind”.
Ik voel deze aardedraad nu. Ik voel de stroming in mijn voeten komen. Deze stroom moet ik eigenlijk gaan oefenen om te voelen. Ik voel hem ook tot heel hoog in mij stromen. Ik glijd nu terug langs de aardedraad. Ik kom in een donkere, zwarte omgeving, een cel of zo. Ik voel dat hier dat overtollige niet kan zijn. Daar is überhaupt geen plaats voor. Ik kan het hier niet hebben want daar is hier geen ruimte voor. Ik lig helemaal opgesloten door het zwarte. Het zwarte is een trilling. Het zwarte sluit mij op en gaat mij die trilling van het zwarte laten voelen. Dat kan niet als er nog ruimte is voor iets anders. Het is een golf die begint in mijn voeten en zo door mijn hele lichaam trekt. Wel een grotere golf, geen fijnere trillingen. Ik ont-zelf hierdoor. Het is alsof die golven mijn bewustzijn eruit golven om het zomaar te zeggen. Ik blijf dood achter. De golven hebben me helemaal opgesloten en ik zie het verdwijnen ergens in een punt, dit tafereel.
Ik voel mijn bewustzijn als heel breed en als veel groter, maar ik weet niet waar ik ben. Ik ben uit mijzelf gestoten. Nu voel ik geen grenzen meer, van mij. Ik kan ook niet zeker zeggen of dat bewustzijn dat ik voel, dat ik dat ben. Het is alsof ik het niet ben. Het is heel breed. Het heeft een diepe, trage ademhaling, een trage hartslag. Nu hoor ik de hartslag. Als ik daarin ga als het ware kom ik nog dieper. Dan ben ik in een andere wereld. Het is moeilijk om hier iets van gewaar te worden. Het is een enorme ruimte, enorm, waar deze hartslag als een diepe, zware gong doorheen galmt, zonder dat ‘ie geluid maakt. Het is geen kwestie van geluid. Het is een levensteken, een centrum dat continu van zichzelf bewust is en dat het “ik ben” slaat. Het is een plek waar niemand mag komen. Het is hier verboden toegang. Dit is een gebeuren in uiterst geheim, het leven dat zich hier afspeelt.
Waarom is dit geheim?
Het is de kerncentrale. Van hieruit wordt alles geschapen.
Ik slinger nu weg uit deze ruimte die werkelijk oneindig is. Werkelijk oneindig. Ik weet niet of ik ooit nog ergens terecht kom. Ik wil nu mijn gidsen roepen om mij eruit te halen en mij terug te brengen. Ik concentreer me op liefdevolle handen. Ik ervaar een verblindend licht door deze liefdevolle handen. Alsof ik voor een poort sta van verblindend licht. Alsof twee werkelijkheden elkaar raken. Ik wil het licht toelaten. Dit licht zijn de oneindige stromen van zuivere liefde. Zonder dit licht kan niets leven. Dit licht is grenzeloze, eindeloze liefde. Ik zie mezelf huilen omdat dit alles te boven gaat. Er is niets mooiers dan dit licht dat bestaat. Ik wil graag voor altijd in dit licht blijven. Ik zal nooit meer iets anders nodig hebben. Er komen nu een paar handen die mij halen, blauwe handen. Die zeggen zoiets van: “Edith, je moet nou komen.” Oké. Ik kom nu terug in mezelf. “Zo, dit is genoeg geweest,” voel ik in me. Ik dank al mijn gidsen en iedereen en alles, dank ik zeer. Er is een grote dankbaarheid ergens. Ik ben het nauwelijks gewaar maar ik voel dat ergens een grote dankbaarheid is.
Ik voel een rust. Ik voel stilte en zekerheid. Ik voel vrede. Ook een enorme gelatenheid. Afstand nemen. Mijn eigen weg gaan. Ik zweef boven de dingen. Mijn kern ligt diep in de aarde. Ik voel een grote verbondenheid, gedragen worden. Harmonie. Ik voel ook veel desinteresse. Dat veel mij niet meer uitmaakt. Alsof ik het niet meer kan hebben ook. Groot verlangen om mijn eigen weg te gaan.
2-11-1997
T Er is niets om naar te streven

Kijk, zeggen de natuur en het leven, we reiken jou de hand.
Ik voel mijn eigen negativiteit als een klein kind dat loopt te mekkeren en te klagen.
Laat dat kleine kind maar achter je aanlopen, dat maakt niet uit. Als je je er maar niets van aantrekt. Moet je ook niet erg vinden. Moet je niet lastig vinden.
Ik zie iets lichts, een lichte beweging. Wat zou dat zijn? Als ik mezelf in die lichte beweging zie gaan, zie ik mezelf steeds jonger worden. Ik verander in een soort foetusje. Hier is heel veel rust en ruimte en stilte. Dan zie ik een paar grote ogen kijken. Deze ogen zijn zwart.
Kijk, als je los bent ben je los. En als je zweeft zweef je. En dan is er verder niets om naar te streven. Je moet gaan begrijpen, wij moeten allemaal gaan begrijpen, dat er niets is om naar te streven. Je ziet de mens streven en dan weet je: deze mens kan niet tegen de leegte, kan niet tegen de duisternis. De mens projecteert zijn streven op alle lagen van zijn zijn. Dus hij denkt dat zoals hij zelf doet, de andere lagen van zijn wezen ook streven. Dus als hij daar is, als hij dat voelt, dan denkt hij: waar gaat dat heen, of wat gaat er dan gebeuren, of wat betekent dit en wat zijn de gevolgen en consequenties en waar komt het vandaan en waar gaat het naar toe? De mens is altijd onderweg naar iets. Het gaat erom dat je dat loslaat. Dat je ziet dat je helemaal niet onderweg bent. Je bent niet onderweg. Dat is een vals bewustzijn. Dat is een verkeerd bewustzijn. Je bent niet onderweg. Je moet niet nog iets. Als mens doe je een aantal zaken en daarmee houdt het op.
Dan denk ik: er is toch een leerproces? Maar dan zie ik ook dat als je steeds stiller wordt, dat leerproces wegvalt. Het valt gewoon weg. Ik zie ook dat het leven open ligt. Het ligt open. En het ligt daar gewoon. En zelf ben je daar ook onderdeel van. Als je daar nou naar toegaat en je denkt: wat moet ik, en je gaat iets zoeken, dan zie je het niet meer. Dan vind je het niet. Dan denk je dat er nog iets moet komen of gebeuren, maar dan heb je maar een heel klein deeltje en daar ben je dan weer ontevreden mee.
Het leven ligt open en je bent zelf een onderdeeltje. En daarom doe je iedere dag een bepaald aantal dingen en dat is het dan. Er hoeft verder niks, want al de rest is illusie. Want het is niet waar dat je moet weten en vinden en menen en denken. Dat is helemaal niet waar. Als je je niet goed en rustig voelt en prettig en alles een beetje vanzelf gaat, dan kun je je afvragen: waarom niet? Want dat is niet normaal. Dan kun je je afvragen: waarom gaat niet alles rustig en prettig? Waarom voel ik mij niet rustig en prettig? Dat is een goede vraag. Maar verder is er niks. En je hoeft je ook niet af te vragen wie je zelf bent want voor jou zit iedereen op deze plek. Het maakt dan ook niets meer uit. Je bent gewoon een stukje leven en dat zit hier. Meer niet.
23-5-2002
T De vrede en de karikatuur van deze wereld

Dit is een heel mooie, krachtige healing-energie.
Er is geen verwarring. Er is alleen maar deze blauwe energie.
Ik kan deze blauwe energie inademen. Ik adem hem in.
Het belangrijkste is te beseffen dat er geen verwarring ís. Er ís alleen maar vrede. En ieder hier en daar van de mens: “daar is het zus en hier is het zo,” is het 'ja maar' waarmee de mens zich afsluit. Massaal afsluit. En de enkeling gaat omhoog en zegt: “er is vrede. Ik heb gezien dat er alleen maar vrede is.” Al die verwarring hoeft niet.
Kom mee, zeggen ze, dan laten we je nog meer zien.
Ik weet nu wie ik ben. Mijn hart speelt een heel fijne, mooie melodie.
We gaan nu nog wat dieper. Hier is een nog diepere laag van aanvoelen en begrijpen. Hier kun je niet meer definiëren, dat gaat niet. Het is aanvoelen en begrijpen. Als je in een sfeer komt en je kunt hem aanvoelen, dan kun je die sfeer aan. Is het een zachte, vriendelijke sfeer, dan kun je hem aan.
Ik zie mensen als het ware met een feestneus op. Wat doen die?
Dat is de karikatuur van de wereld. Dat is de grote illusie van de wereld waarin de mensen leven. Ze zetten een feestneus op en denken dat ze blij zijn. Of ze hebben geen feestneus op en ze denken: als ik nou een feestneus had dan was ik blij. De mensen zien alles in karikatuur omdat ze niet weten wat echt is, reëel is. Echtheid kennen ze niet. Hier is alles licht en speels, en dat is je eigen gevoel.
Ik voel ook de tevredenheid van deze sfeer. Tevredenheid. Dan is het net alsof er zacht over mij heen wordt geblazen met een bepaald soort energie. Deze energie doet mijn grenzen vervagen.
Wie niet tevreden kan zijn met wat ‘ie heeft is ongelukkig. Weinig hebben of veel hebben telt niet.
Tevreden zijn met wat je hebt. Wie is tevreden met zijn eigen wereldje? Wie is tevreden in zijn eigen sfeer, in zijn eigen huisje?
Het is net alsof er tussen mijn voeten een bronnetje omhoog spuit met mooie, rode energie. Ik was er mijn handen in. Ik wrijf er mijn hele lichaam mee in. Dan houdt de bron op.
11-11-2002
T De Boeddha van de mogelijkheden, de leerling-wever, positief en negatief vallen onder één noemer
De trilling neemt over en daarin verdwijn ik. De trilling is nog zonder vorm en zonder gestalte en heel langzaam neemt ‘ie een gestalte aan. De Boeddha van de vrede begroet ons.
Een gevoel alsof er veel werk verricht moet worden. Alsof alles moeizaam en langzaam gaat. Alsof niemand er veel zin in heeft vandaag.
Maar dat is de rust die je voelt. Wij komen altijd precies daar waar we zijn moeten. Wij zijn licht en wij zijn zwaar. Wij zijn de Boeddha van de mogelijkheden.
Ik voel dat alles, ALLES mogelijk is. Langzaam en luid wordt uitgesproken, in een vreemde klank Nederlands: Alles is mogelijk.
Ik ben de leerling-Boeddha van de wever. Ik ben een wever. Ik kom hier en doe mijn werk. (Mijn handen maken een wevend gebaar en hij blijft al pratend via mijn handen doorweven.) Wij weven alle mogelijkheden samen. Ik ben alleen maar de leerling-Boeddha van de grote Boeddha van de mogelijkheden. Wij zijn altijd bezig met ons werk. Als ik hier kom ben ik bezig met mijn werk. Wij weven mogelijkheden.
Ik zweef in zo’n ruimte, in zo’n ruimte waarin alles kan en waarin geen grenzen zijn. Tussen goed en kwaad zijn geen grenzen. Tussen positief en negatief zijn ook geen grenzen. Er is vrede in alles. Zij geven liefde aan de dingen en bij hun valt alles onder één noemer. Positief en negatief vallen onder één noemer.
Dat is de vrede die wij geven. Dat is de liefde die wij geven. Positief en negatief vallen onder één noemer. Wij kennen geen verschil, daar doen wij onze ogen voor dicht. Wij leven in de wijsheid. Wij weten altijd wat wij doen. Wij blazen onze vrede over alles heen. Wij zijn gekomen in de ruimte waar niets is, waarin alles wordt losgelaten. (Handen gaan helemaal naar de grond.) Hier is de ruimte (handen bij hart, draaiende beweging).
Ik kan voelen wat ik bereiken kan als ik in die ruimte kom. Dan voel ik dat je heer en meester bent over alles. Dus ze hebben mij nou deze ruimte gegeven en ik ga mee kijken. Alles is zo losgelaten. Je kunt helemaal niets vasthouden. Alles is zo los.
24-7-2000
T De leraren van de leegte, het inzicht uit de leegte en de impressie van de kluizenaar
In deze trance-beleving treden energieën op van zeer fijne trillingen, want deze energieën staan dichtbij de leegte. Ze proberen uit te leggen waarom ik in mijn incarnatiecyclus op een gegeven moment bedacht had om kluizenaar te worden. Dat heb ik gedaan. Daarin was ik niet de enige. Soms past het inderdaad dat iemand kluizenaar wordt, als het de roep vanuit de ziel is. De drang kan ook voortkomen uit een aanraking van de leegte, zoals in deze trance-beleving uitgelegd wordt, en wat mijn situatie was. Aangezien de drang vanuit de aanraking van de leegte nog sterk aanwezig was in deze incarnatie, zijn ze komen uitleggen wat er aan de hand was zodat ik makkelijker daar uit kon groeien, want ik wilde dat lange tijd niet loslaten. Ze leggen het uit.
Ik zie waar de kluizenaar zit. Ik zie dat de kluizenaar het leven niet begrijpt omdat hij dat deel overslaat. Dus het inzicht is er dat de kluizenaar dat allemaal heeft achtergelaten en dat de kluizenaar dus niet begrijpt, want dat is niet van de kluizenaar. Het is niet aan de kluizenaar om te zeggen of iets van zich is. De kluizenaar is zelf helemaal niet. Het is het deel dat gezien heeft en dat steeds weer in balans gebracht moet worden met het geheel. En wij noemen dat deel de kluizenaar. Dat deel zelf bestaat niet. Het is een impressie van de aanraking van de leegte. En de leegte wil dit gezegd hebben: zij kan zich niet verwoorden. Dus de kluizenaar heeft het ook niet bij het rechte eind. Wij kunnen zeggen: niet bij het rechte gevoel. Maar wij kunnen ons niet verwoorden. Er is geen spirituele verdediging tegen het spirituele inzicht van de kluizenaar, want dat inzicht dat staat. Dat is de leegte. Die heeft hij ervaren. Dat inzicht heeft een definitief karakter. Maar het zijn nooit onze woorden.
Wij kunnen pas op het einde spreken, op het einde van iedere evolutie. Daarvóór is het altijd oppassen. Daarvóór is het altijd de spirit zelf. De kluizenaar is de spirit zelf en wij kunnen ons hier niet tegen verdedigen. Wij kunnen dat inzicht van de kluizenaar niet beletten te zijn. Het is onze aanraking. Het is onze aanraking. Onze aanraking is wel echt, is reëel. Wij kunnen niet de impressie die dan ontstaat verhinderen. Maar wij kunnen pas spreken aan het einde van iedere hele evolutie. Wij spreken pas op het einde en dan is alles pas begrepen. Eerder is er geen begrijpen. Er is wel begrijpen, wij noemen dat ook het echte begrijpen van die laag, want voor die laag is dat echt begrijpen. Dus we respecteren dat als echt begrijpen. En die laag moet daarom voorzichtig zijn met zijn echte begrijpen, want het is niet het echte begrijpen want dat kan nog heel lang gaan duren. Dus onze woorden zijn niet onze woorden. Het zijn de indrukken. Het is de indruk van het inzicht in de spirit, in de mens.
Onze woorden zijn uit totale leegte en hebben daarom geen invloed, willen geen invloed hebben, zijn uit totale leegte. Dus als wij spreken over dingen, over de uiterste onbelangrijkheid van de mens, heeft dat geen zin om invloed te hebben want onze woorden komen uit de leegte. Dit inzicht is uit de leegte. Alles is uit de leegte.
Het is de impressie van de mens. De mens kan niets hebben. Het is de impressie van de mens die denkt dat leegte iets is om zus of zo te leven of om te hebben. Het is helemaal leeg. Dus de mens streeft daarnaar maar er is niets. Dus wij kunnen de leegte niet uitdrukken. En wij kunnen niet de leegte achter ieder woord laten zien. Maar als de mens de leegte achter ieder woord kon zien, liet hij ze ook zo weer vallen want er is niets van zus of zo. Maar wij geven toch indrukken door. Dus wij geven wel die indrukken door, want anders: waarom zou de leegte spreken? De leegte kan ook de mond houden. Dus de leegte kan de mond houden en dit heeft verder geen enkele zin. En dan zeggen wij: wij zijn één grote familie.
Wij kunnen niet verhinderen dat onze kinderen vallen als we ze meenemen op de tocht. Wij kunnen dat niet verhinderen. Dus de kinderen moeten dat zelf leren. Maar als zij niet altijd voorbereid zijn en een fout maken, kunnen wij dat niet verhinderen. Maar zij moeten snel leren, en natuurlijk is het de bedoeling dat zij leren anders heeft het toch geen zin.
We hebben nu naar de kluizenaar gekeken als onderdeel van de spirit. Het is niet mogelijk om die leegte te ervaren. Als de leegte is geweest blijft er altijd iets hangen en dat kunnen wij niet zuiverder krijgen. Dus wij zeggen dan: kom maar mee op onze tocht. Maar wij kunnen niet verhinderen dat je je voet stoot. Of misschien valt het kind naar beneden. Maar het licht van de waarheid probeert te schijnen en kan niet tegen iemand iets zeggen. Dus het licht van de waarheid is altijd dat verkleurde licht. Dus wij kunnen niet de leegte overbrengen. Dat vereist de totale oplossing.
Wij zijn één. Wij zijn één. Ons leven is één. Mijn leven is jouw leven en jouw leven is mijn leven. Wij zijn één. (Het vogeltje buiten fluit.) Ja, nu zien we het moment waarop alles in elkaar is, één, in een harmonieuze vrede. Dat is het moment dat ons het dichtst benadert. Het moment waarin alles is opgenomen en verenigd in een harmonieuze vrede is het moment van het gevoel dat ons het dichtst benaderd. Wij treden op als leraren.
“Wat is de bedoeling hiervan, omdat jullie zo’n hoge leraren zijn?”
Wij kunnen alleen maar terugkomen op de eenheid. Deze spirit voelt ons nu als zichzelf. Deze spirit voelt ons nu als zichzelf. Wij ontstaan uit het proces van de evolutie. Alles gaat zo: in een totale inbedding van het leven gaat de stroom. Wij zijn de inbedding. Hier trekken wij alles naar ons toe. Wij houden onze hand open en trekken alles naar ons toe. De weerkaatsing van ons licht op de gezichten van de mensen is niet feilloos. Wij staan en wij schijnen en de mensen zien ons en komen naar ons toe. Wij zien hun omweg, maar wij schijnen altijd. Het is het leven zelf wat wij zijn. Wij zijn de inbedding waarin alles is. Wij zijn altijd leraren, of wij spreken of niet. Wij zijn altijd leraren. Het is het contact. Het contact met alle schepselen, dat is het moment waarop wij leraren zijn. Dat is onze leraarschap. Dan zijn wij leraren. Wij zijn leraren in het moment van het contact met alle schepselen. Maar wij kunnen alleen maar schijnen. (Weer fluit het vogeltje buiten.) Het besef van onze eenheid is altijd het besef, het menselijke besef. Als wij één zijn, waar wij één zijn, is in de leegte.
3-12-2000
T Heelal-scheppende energieën en de beschermende werking van energieën


Nog een trance-ervaring die dichtbij de leegte staat, net eruit is en dan de ervaring van de grote schepping, dat is één van de kosmossen. En wie weet wat nog meer bestaat. Daar hebben wij geen kijk op.
Ik heb nou het gevoel dat ik in een soort wachtruimte zit in een schommelstoel. (Mijn hoofd gaat licht op en neer.) Ik word nou heel loom. Ik word nou heel loom en zwaar. Ik kan me ook nergens meer op concentreren. Ik val dadelijk helemaal weg.
Nu voel ik dat ik in een ander lichaam ben gestopt. Dit is een ander lichaam. Ik kan de vorm van het lichaam niet bepalen.
Ik zie wolken van energie om me heen. Ik zie wolken in kleuren ook, rustig en vredig. Er is ook heel veel licht. Ik kan mijzelf niet nader bepalen.
Er is hier geen onderlinge communicatie. Als een zwarte knikker, heeft deze energie in één keer het hele heelal gemaakt. Alles heeft daar een vaste plaats en energieën zie je gewoon overal liggen. Dat is moeilijk, het rare, als je het wilt vermengen met het menselijke weten. Je kunt het niet vergelijken met het menselijke weten. Deze energieën vormen de sterren en alles. En dat is een gebeuren dat op afstand plaatsvindt. Dus wij zijn geen deel van die energie. Het samenspel van energieën creëert het onpersoonlijke bewustzijn.
Dat kun je niet vatten. Dat kun je niet vatten. Hoe die energieën bewust zijn dat kun je niet vatten, onpersoonlijk weten, zo 'beyond.'
Als ik even de aandacht bij de energie naar binnen breng: daar is de leegte.
In de leegte kun je niet komen. Energie is al gemaakt. Als een adem is die energie. De leegte is nergens vergelijkbaar bij. Energie is niet vergelijkbaar met de leegte. De leegte is totaal anders.
We kunnen alleen in energieën kijken. Want in de leegte zouden we helemaal oplossen. Energie is beschermend.
Het heelal is vredig.
Alles wordt daar geschapen. Volgens vaste patronen en neutraal. Er is niets te begrijpen bij neutraal. Neutraal is neutraal. Gaat volkomen voorbij aan ons bewustzijn. Het gaat aan alles voorbij, aan alles voorbij. (Buiten fluit een vogeltje heel ijverig.)
De mens is niet belangrijk. De menselijke energie is een fase. Het begrip mens komt er niet voor.
De brandstof raakt op. Het vogeltje fluit me terug. Het vogeltje blijft hard fluiten.
18-4-2001
